Inmiddels ben ik de honderd dagen in de DR Congo gepasseerd, hoop ik volgende week naar Nederland te gaan voor een – al zeg ik het zelf – welverdiende verlofperiode en vind ik het de moeite waard om een tussentijdse balans op te maken. Deze keer geen apart gedeelte over de geschiedenis van het land, want ik ga die lessen ook maar even samenvatten. Sterker nog, ik ga ermee beginnen. Vervolgens beschrijf ik een paar bijzondere ervaringen en observaties van die eerste honderd dagen. Ga er maar even goed voor zitten!
We begonnen het verhaal in de tijd dat koning Leopold II dit land als zijn eigen achtertuin beschouwde (1885-1908). En vervolgens werd het een Belgische kolonie (1908-1960). Wat er in die 75 jaren allemaal gebeurde, heeft zijn weerslag tot op de dag van vandaag. De ontsluiting en ontginning van Congo, een land dat trouwens bijna 60 keer zo groot is als Nederland, was in het begin een zwaar verlieslijdende onderneming. Maar toen, aan het einde van de 19e eeuw kwam de automobielindustrie in opkomst en waren er rubberen banden nodig! Het tij keerde: er werden enorme winsten gemaakt, zowel met de rubber- als de ivoorhandel. Een bankroet in België werd afgewend. In no time werd die achtertuin het toneel van een ware jungle waar de concessiemaatschappijen en de overheid zelf steeds hogere winsten nastreefden, zonder enig respect voor de Congolese bevolking. Het beleid van Leopold II mondde uit in een schrikbewind met brute dwangarbeid en meedogenloze repressie. Arbeiders die de opgelegde quota niet vervulden of die de onmenselijke werkomstandigheden ontvluchtten, werden zwaar bestraft, vaak mishandeld, tot het afhakken van de handen toe, of standrechtelijk gefusilleerd.

Hoezo, een groot land?
België nam het land vervolgens over als kolonie en creëerde een impliciete apartheid: rassendiscriminatie was aan de orde van de dag. Zo waren de stadscentra alleen voorbehouden aan de blanke bevolking, terwijl de zwarte bevolking erbuiten leefde, in cités indigènes (aparte inlandse wijken). Ziekenhuizen, warenhuizen en andere voorzieningen waren vaak gereserveerd voor blanken of zwarten. Door de nauwe verwevenheid van de economische ontwikkeling en het ‘beschavingswerk’ en doordat staatsambtenaren, missionarissen en de blanke kaderleden van de grote maatschappijen elkaar hand-en-spandiensten verleenden, is het beeld gegroeid dat Belgisch-Congo bestuurd werd door de drie-eenheid van Koning-Kerk-Kapitaal. De kolonisator wist wel wat goed was en de bevolking had volstrekt geen inspraak in het bestuur! Ook op onderwijsgebied was dat tot in de jaren vijftig het geval. Het lager onderwijs werd volledig overgelaten aan de katholieke missies en de aandacht ging bijna helemaal uit naar de beroepsvorming en praktisch onderricht. Geschoolde klerken moesten worden opgeleid voor het bestuur en vaklui voor de industrie. De late mogelijkheid voor universitair onderwijs voor Congolezen zorgde ervoor dat er bij de onafhankelijkheid in 1960 welgeteld 16 Congolezen een universitair diploma hadden op een totaal van vijftien miljoen mensen.
Het is niet zo heel ingewikkeld om een paar conclusies te trekken naar aanleiding van die Belgische periode, waarbij ik mij realiseer dat ook onze Nederlandse voorvaderen de vreselijkste dingen hebben gedaan in onze voormalige kolonies. De eerste conclusie heeft te maken met die achtertuin die een jungle werd. Buitenlandse invloeden en belangen in de grote rijkdommen van Congo waren er toen, zijn er nu en ik ben bang dat die er zullen blijven. Controle over die minerale schatten is ook nu een van de belangrijkste oorzaken van conflicten. De tweede gaat over het racisme dat met de paplepel werd ingegoten. Blanken werden en worden gewantrouwd, maar ook heeft het de verschillen die er tussen de verschillende lokale ‘rassen’ en stammen al waren, verder aangewakkerd. Het werd een voedingsbodem voor de meest gruwelijke conflicten. Conclusie drie: de mensen hebben helaas veel voorbeelden gezien bij de kolonisator, maar ook bij hun eigen machthebbers, van nepotisme, hoe je iemand voortrekt ten koste van de ander en hoe je ook jezelf daardoor kunt verrijken. Die houding en dat gedrag is ook nu heel goed zichtbaar en voelbaar in de samenleving: het is hier corruptie wat de klok slaat. Het is voor de Congolezen vrijwel onmogelijk om zich ervan afzijdig te houden. Mijn laatste conclusie: de bevolking werd dom gehouden en heeft na de koloniale tijd nauwelijks de kans gekregen om op eigen benen te staan. Een stevig middenkader ontbreekt nog steeds. Afhankelijkheid van buitenlandse investeringen, hulporganisaties, de Verenigde Naties, de Wereldbank en noem maar op, wordt daarbij nog steeds beschouwd als een vanzelfsprekende zaak. En die houding helpt natuurlijk niet om het land uit de ellende omhoog te trekken.
En nu ben ik een van die (nood)hulpverleners die er in essentie ook niet voor zorgen dat het land er bovenop komt. Waar het ons om gaat is het lenigen van de ergste nood voor de meest kwetsbaren. Ik weet het: ‘een druppel op een gloeiende plaat’. Jij lezer vraagt je dus ongetwijfeld af: waarom ga je er ver van huis alleen maar aan meehelpen dat mensen die anders wellicht zouden sterven, nu in leven blijven? Ik geef daar het volgende antwoord op: ondanks alles vind ik het van grote waarde dat mensen op zijn minst in waardigheid en met hoop kunnen leven. De glimlach op het gezicht van iemand die niets meer heeft, is iets dat zwaar voor mij weegt.
Dat is het bruggetje naar het tweede deel van deze blog, een paar bijzondere ervaringen en waarnemingen, een beetje hap-snap, zonder verband. Wat echt bizar is, is mij inmiddels twee keer overkomen. Het eerste geval ging als volgt: “Ik heb samen met mijn man eens zitten denken Jan, maar zou jij onze dochter niet mee willen nemen naar Nederland en verder voor haar zorgen”? In het tweede geval werd de vraag wat minder direct gesteld: “Jan, is een studie voor onze zoon in Nederland nu echt zo duur”? Je kind aan een ‘wildvreemde’ meegeven zodat het verder in vrede en veiligheid kan opgroeien. Tsja, dan sta je toch even met de mond vol tanden.
En dan de vrolijke, veerkrachtige, optimistische Congolezen, met voornamen als: Prudent (voorzichtig), Consolate (troostend), Deogratias (God zij geprezen), Glorieuse, Seraphin, Delphin, Jackson, Elysée. Ze stellen zich wel vaak wat terughoudend, bijna ondergeschikt, in mijn richting op. De vrouwen hebben vrijwel allemaal een pruik boven op hun kortgeschoren hoofden. Wat het voor mij dan weer lastig maakt: ze hebben er allemaal wel een stuk of wat in de kast liggen. Zo probeerde ik in het begin wel kennis te maken met een vrouwelijke collega die er de vorige dag bij de kennismaking toch echt heel anders uitzag. De mensen leven zonder uitzondering veel meer bij de dag dan ik gewend ben. Zo beginnen de meeste emails die ik ontvang ongeveer als volgt: “je vous espère en parfaite santé ce matin; ik hoop dat u vanmorgen in heel goede gezondheid verkeert”. Die gezondheid is hier van groot belang. Er zijn heel regelmatig collega’s even afwezig omdat een familielid in het ziekenhuis ligt en verzorging van de naasten nodig heeft. Heel indrukwekkend vond ik de diverse bezoeken aan door Medair opgezette ‘ziekenposten’, een cholera behandelcentrumpje en de isolatietenten waar slachtoffertjes met pokken worden behandeld. Daar gaat het natuurlijk ook om: mensen gratis behandelen, kinderen die dat nodig hebben, bijvoeden, onderkomens, douchehokjes en toiletten bouwen en zorgen voor hygiënische omstandigheden. Maar wat mij dan wel tegenvalt is de enorme bureaucratie in de wereld van hulporganisaties. Ik snap dat geld van donoren goed besteed moet worden en dat verantwoording over dat geld belangrijk is, maar het gaat soms wel erg ver.
Het werk dat ik doe, heeft voornamelijk te maken met managementvaardigheden. En die vaardigheden zijn best hard nodig, heb ik gemerkt. Waar de hulpverleners goed in zijn: snel reageren op nieuwe vluchtelingenstromen, improviseren, creativiteit en alles inzetten op snelle en doelgerichte hulp aan hulpbehoevende mensen. Het gevaar schuilt erin, zeg ik diplomatiek, dat het ten koste gaat van een stevige organisatorische basis, op financieel, logistiek en personeelsgebied, met een duidelijk plan, heldere afspraken en een cultuur van ‘niemand is belangrijker dan het team…’ Ik ben enorm gemotiveerd om een bijdrage te leveren aan verbetering van dat organisatorische deel; hoe de vele ‘brandjes’ helpen voorkomen in plaats van blussen? Omdat ik ervan overtuigd ben dat die o zo belangrijke noodhulp daardoor nog beter uit de verf kan komen.

En ten slotte: ik ben al heel behoorlijk gewend aan het stof, het verontrustende verkeer met zonder uitzondering veel te hoog opgestapelde spullen in veel te zwaar beladen vrachtwagentjes, continu en oorverdovend lawaai en getoeter, aan de hardloopband uit de vorige eeuw die mij de indruk geeft continu behoorlijk bergop te rennen, de houten bootjes met bepakking die langs mijn terras voortgepeddeld worden over het kabbelende Kivumeer en aan de 95 aangenaam zonnige dagen. Maar wat eigenlijk nooit went: 100 dagen verwijderd van mijn lief en overige geliefden. Die keerzijde is er, dat offer is aanzienlijk, dus kijk ik enorm uit naar de komende weken! Ik hoop ergens half september weer iets van mij te laten horen.
Plaats een reactie